top of page
  • rainboweurope20

Filosoferen over het thema discriminatie

In ons dagdagelijks leven en in onze gesprekken met mensen hanteren we vaak begrippen die we zelf als evident beschouwen, maar waarvan we de exacte betekenis eigenlijk niet kennen. Tijdens het filosoferen gaan we op zoek naar de betekenis van die begrippen. Door vragen te stellen aan je leerlingen ga je op zoek naar de grondslagen van de oordelen op de meningen van waaruit je die vragen formuleert.


We willen beginnen om één groot vooroordeel uit de weg te ruimen, met name dat filosoferen iets zou zijn voor ASO-leerlingen, integendeel: spontaniteit van leerlingen uit het BSO leidde tot minstens even diepgaande gesprekken. Filosoferen draait in de eerste plaats niet over taal, maar veronderstelt spontaniteit, reacties, openheid, respect en interesse voor elkaar. Leerlingen krijgen het gevoel dat hun mening ertoe doet, dat er naar hen geluisterd wordt, dat ze bijvoorbeeld bij prikkelende dilemma’s zelf een keuze mogen maken. Dit begingevoel helpt hen om actief te participeren en zich volwaardig in een gesprek te kunnen engageren.


De opstelling van een filosofisch gesprek gebeurt in een cirkel: leerlingen en leraar (als gespreksleider) zijn dus gelijkwaardig.


Filosoferen is echter meer dan een ‘leuk gesprek’, het wil dieper graven naar oordelen en meningen over bepaalde zaken. Het is dan ook belangrijk om het gesprek te structureren volgens verschillende grote vragen. De leerlingen moeten leren om creatief naar de wereld en naar zichzelf te kijken.


Wanneer ben ik ergens thuis? (Burgerschap en samenleving)

Bepaalt mijn afkomst wat ik denk en voel? (burgerschap en samenleving)

Kunnen jongeren de maatschappij veranderen? (burgerschap en samenleving)

Waar komt racisme vandaan? (burgerschap en samenleving)

Is het je eigen schuld als je arm bent? (burgerschap en samenleving)

Is de wereld één groot dorp? (burgerschap en samenleving, ruimtelijk bewustzijn)

Zijn culturele verschillen een verrijking of beperking? (burgerschap en samenleving)

Bestaat er vrijheid zonder grenzen? (burgerschap en samenleving, ethiek)

Is een ideale samenleving mogelijk? (burgerschap en samenleving, ethiek)


Dit zijn voorbeelden van filosofische startvragen waar er niet meteen een antwoord op verwacht wordt. De nadruk ligt minder op ‘het antwoord’, dan wel op het doordacht onderzoeken van die vraag. De vragen kunnen enerzijds uit de leerlingen zelf komen (om hen zelf deze keuze te laten maken), maar kunnen ook door de leraar voorgesteld worden (indien er in mindere mate respons is van de leerlingen)

Filosoferen : niet noodzakelijk abstracte vragen stellen, maar samen met je leerlingen komen tot een gestructureerd gesprek over maatschappelijke thema’s zoals rechtvaardigheid en samenleven. Het is een ervaringsgerichte en procesgerichte werkvorm, waar leerlingen moeten nadenken over zichzelf, over hun positie in de wereld en over hun verhouding tot andere mensen.

Dit nadenken gebeurt altijd aan de hand van een toegankelijke prikkel (een afbeelding, een filmfragment, of een interessante anekdote) van waaruit er verder gefilosofeerd wordt.

Bij een filosofisch klasgesprek gaat de leraar zelf niet ‘doceren’, maar als een gespreksleider aan de zijlijn het gesprek opvolgen. Hij daagt de leerlingen zelf uit om kritisch na te denken en op zelfstandige wijze vragen te stellen. Enthousiasme en gebetenheid.

De beweging die we hierbij volgen gaat: 1) van concreet naar abstract 2) van anekdotisch naar beschouwend 3) van begeleidend naar zelfstandig

Leerlingen leren niet alleen om hun mening te formuleren, maar ook om die te onderbouwen, en treden hierbij in zinvolle dialoog met anderen.


Ook voor de leraar

Filosoferen kan ook een manier zijn voor de leraar om om te gaan met polariserende uitspraken in de klas. Als filosofisch gespreksleider, leert de leraar om afstand te doen van bepaalde vooroordelen. Al filosoferend leer je echt te doorgronden wat een leerling met een welbepaalde, soms provocerende uitspraak bedoelt (cf. wat bedoel je met… ,etc.)

Het gevoel zinloos en minderwaardig te zijn verdwijnt voor die groep leerlingen. Het is ook aangetoond dat leerlingen luistervaardiger worden en minder agressief gedrag vertonen.


Bijlage: stappenplan filosofisch gesprek (Bron: Kristof Van Rossem, www.kristofvanrossem.be)


SOCRATISCH STAPPENPLAN

K. Van Rossem


1. Zoek één centrale vraag waar de deelnemers graag een antwoord op willen. Zorg er voor dat de vraag :

  1. Kort geformuleerd is (maximum 8 woorden)

  2. Authentiek is : je hebt die vraag echt, je wilt hier een antwoord op!

  3. Helder is

  4. Antwoorden oplevert die niet juist of verkeerd zijn maar waar je door louter denken achter komt (dus niet : “hoeveel kleuren heeft een leguaan?’ maar “kan je een dier begrijpen?”. In dit voorbeeld: “Wat is de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de bedrijfsleider?”)

  5. De mogelijkheid biedt hier een eigen ervaring bij te vertellen.

  6. Zo geformuleerd is dat ieder die deze vraag leest (ook zonder eigen ervaring hierbij) deze vraag begrijpelijk vindt.


Je kan deze vraag zelf laten formuleren eventueel aan de hand van een impuls of een oefening. Je kan hen ook een aantal startvragen voorleggen. Zie hiertoe bijvoorbeeld de lijst bij ‘materiaal’ op de homepagina van socratischgesprek.be


2. Vraag de deelnemers naar

  1. een recente ervaring

  2. uit eigen bron (zelf meegemaakt)

  3. waarin zich een moment voordoet waarop ze iets hebben gezegd of gedaan. Vraag naar een aanschouwelijk moment met een concrete handeling (dus geen gedachtegang of overweging)

  4. waar ze een opvatting over hebben die bij deze vraag past.


Afhankelijk van de beschikbare tijd neem je het eerste het beste verhaal wat komt, of laat je er een aantal vertellen en kies je het verhaal dat het meest geschikt is. De voorbeeldgever vertelt het verhaal in zo concreet mogelijke bewoordingen.


3. De deelnemers stellen verhelderingsvragen tot het 'filmpje' waar in het verhaal zich afspeelt ieder zo helder mogelijk en met alle relevante details voor de geest staat. In deze fase mogen de deelnemers enkel feitelijke vragen stellen, dus geen vragen over overwegingen, beweegredenen waarom iemand iets deed etc. Bovendien moeten deze vragen relevante vragen zijn met betrekking tot het moment waarop zich deze handeling voordoet.


4. Je vraagt een opvatting (kernbewering) bij de verteller op en alle argumenten die hij/zij hiervoor heeft. Je schrijft dit op het bord en je volgt letterlijk de woorden van de verteller. Ook al denk je ‘dit is geen argument’, alles wat na de ‘want’ komt, schrijf je op.


Voorbeeld : “Toen ik die medewerker gisteren aanwierf, nam ik mijn maatschappelijke verantwoordelijkheid als bedrijfsleider want :

  • “hij is langdurig werkloos, zo is hij ‘van de straat’

  • ik stel hiermee een voorbeeld voor andere bedrijfsleiders”


5. Je vraagt nu aan elke deelnemer om hetzelfde te doen en een antwoord op die vraag op in termen van het voorbeeld op te schrijven met hun eigen bijhorende argumenten. Het kan zijn dat ze het met de verteller eens zijn, het kan ook zijn van niet. Zorg er voor dat het in de formulering blijft gaan over deze specifieke casus, in concrete termen. Geef eventueel het volgende format mee om de deelnemers te dwingen bij de feitelijkheid te blijven : “toen X Y deed, was dat Z (niet Z) want….”

Vb : mening 1 : "Toen Jan die medewerker aanwierf, nam hij zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid niet op, want

  • Hij vond hem goed genoeg en werft enkel aan in functie van het bedrijf

  • De medewerker heeft geen speciale hulp nodig”


6. (bij grote groepen) Laat de deelnemers eerst de verschillende antwoorden en argumenten vergelijken met elkaar, door ze per twee of drie te laten uitwisselen. Zorg ervoor dat de standpunten en argumenten begrepen zijn en herhaald kunnen worden vooraleer ze worden bekritiseerd.


Je kan in een klascontext het volgende schema gebruiken om dit gesprek wat te structureren. Je laat de leerling opschrijven :


Dit zijn de argumenten van mijn buurman :.....................

Dit vind ik goede argumenten : ...................

Dit zijn redenen waarom ik dit goede argumenten vind :.................

Dit vind ik geen goede argumenten : …………………………..

Dit zijn redenen waarom ik dat geen goede argumenten vind : ……………



7. (bij kleinere groepen) Hang de standpunten en argumenten naast elkaar op flipovers op het bord. Hang ze naast de opvatting van de verteller.


8. Bespreek de verschillen in opvattingen en argumenten nu plenair. Maak als begeleider vanaf het moment dat deze standpunten en argumenten in groep besproken worden telkens opnieuw de socratische bewegingen (beweren, uitleggen, concretiseren, luisteren, bevragen). Volg de gang van het gesprek hoe het zich spontaan voordoet en stel waar nodig die vraag die voor die beweging op dat moment nodig is (zie opleiding en zie artikel ‘socratisch beraad’).


9. Formuleer samen met de groep een evaluatie van het gesprek


Je kan hier focussen op de vorm van het gesprek/ de competenties die zijn geleerd. Zie hiertoe de socratische competentielijst en laat ze bv. enkele competenties aanvinken waarvan ze vinden dat ze die hebben gebruikt.


Je kan ook focussen op de inhoud van het gesprek. Enkele vragen die je de deelnemers kan stellen hierover :

  • welke nieuwe perspectieven heb je gehoord op je eigen argumentatie?

  • Wie heeft jou in deze groep doen nadenken/doen twijfelen over je zienswijze en waarom?

  • Wat is nu je antwoord op de startvraag?

  • Welke nieuwe vraag moet nu beantwoord worden volgens jou?


K. Van Rossem




0 weergaven0 opmerkingen

Gerelateerde posts

Comments


bottom of page